Wisselende ervaringen met vernieuwd inspectiekader

De inspectie over de vloer… Even een tandje erbij? Gewoon doen wat je altijd doet?
Het blijft spannend om beoordeeld te worden.  Hoe gaan Perspectiefscholen daarmee om? En hoever mag de inspectie eigenlijk gaan binnen het vernieuwde toezichtkader? Lees meer over de ervaringen op het Kalsbeek College, het Andreas College en CSG Willem de Zwijger.

Bestuursniveau
Drie bestuurders van deze scholen geven hun visie op het vernieuwde kader. Johan Stevens van het Andreas College in Katwijk, Jan van Heukelum van de Willem de Zwijger in Schoonhoven en Cor van Dalen, de kersverse bestuurder van het Woerdense Kalsbeek College. Alle drie zijn ze het erover eens dat er spanning zit in het proces door de dubbele rol van de inspectie: die van beoordelaar (waarborgfunctie) en critical friend (stimuleringsfunctie), en dat in de eerste plaats de school zelf verantwoordelijk is voor de beoordeling (ontwikkeling en verbetering) van de onderwijskwaliteit.

Stevens: “De inspectie mag alles zien, maar beoordeling binnen het stimuleringskader is niet een wettelijke taak.”

Juridisch
Bestuurders van de Perspectiefscholen hebben zich voorbereid op deze nieuwe aanpak, onder andere tijdens een middag over de juridische kant van het toezichtkader. Stevens is van huis uit jurist en weet als bestuurder hoe het is als een schoollocatie het predicaat ‘zwak’ krijgt. Hij benadert de nieuwe aanpak vooral juridisch en stelt dat de inspectie zich in haar werk baseert op een eigen uitleg van de Wet op het voortgezet onderwijs. “De inspectie moet volgens de Wet op het onderwijstoezicht werken: ze moeten alleen kijken of het onderwijs op orde is. Ik ben niet zo erg geïnteresseerd in het stimuleringskader.” Stevens stelt met nadruk dat het inspectieteam dat zijn scholen heeft bezocht, bestaat uit betrokken en gepassioneerde professionals. “De inspectie mag alles zien, maar beoordeling binnen het stimuleringskader is niet een wettelijke taak. Als ik het niet eens ben met de uitkomst van het onderzoek binnen het stimuleringskader en daar een andere mening over heb, dan kan ik nu niet terugvallen op een wet. Er is geen rechtszekerheid. Het inspectierapport kan wat mij betreft bestaan uit één zin: ‘Uw school voldoet aan de wet.’ Een inspecteur kan nu lessen beoordelen zonder dat er een wettelijke context voor is of een openbare checklist. Dus waar is de transparantie in het inspectieonderzoek? Neem ‘de kwaliteit van het onderwijs’. Dat komt in veel wetten voor als containerbegrip, maar wordt in geen enkele wet gedefinieerd. De vrijheid van onderwijs, artikel 23 van de Grondwet, moet restrictief worden uitgelegd. Ik wil vooraf weten wat de spelregels zijn, en ik vind het aan de school om kwaliteitseisen te stellen en te bewaken. Kortom, we moeten oppassen dat we niet verstrikt raken in een door de inspectie ontwikkeld ondoordringbaar bos van pseudowetgeving. Destijds sprak de Tweede Kamercommissie-Dijsselbloem daar ook al vermanende woorden over. We hebben om die reden ook niet gevraagd of we in aanmerking komen voor het predicaat excellente school.”

 

Van Heukelum: “De gesprekken zijn prettiger van toon, minder scherp.”

Dubbele pet
Van Heukelum staat er iets anders in: “De meeste scholen hebben basiskwaliteit. Dus er is niet veel nieuws onder de zon. We leggen ons schoolplan naast het wettelijk kader en presenteren onze eigen onderzoeksresultaten. Ik ben gewend om open te staan voor feedback, maar dat kan in deze opzet dus ook schadelijk uitpakken, zoals Johan stelt. Dat besef ik. Het is nieuw dat de inspectie bereid is om stimulerende tips te geven, en dat maakt het gesprek meteen ook ingewikkeld, want het is voortdurend schakelen tussen moeten oordelen en mogen adviseren. Ze proberen daar zuiver in te zijn, maar het is nog niet het ontwikkelingsgesprek dat ik graag wil voeren. Het beste word ik geholpen als ik totaal open ben, maar als ik dan ook een draai om mijn oren kan krijgen, ben ik voorzichtiger.” Van Heukelum vindt het voordeel van de nieuwe aanpak dat hij als bestuurder kan sturen waar hij ontwikkeling wil zien en de inspectie kan vragen om in het bestuurlijk gesprek daarop te focussen.

 

 

Van Dalen: “We blijven door dit inspectiekader meer weg bij dingen puur op intuïtie doen en het helpt ook bij een professionaliserings-slag.”

Zelf beoordelen
Van Dalen kreeg eind april de inspectie op bezoek. “Het is goed dat de inspectie kijkt op bestuursniveau en naar het kwaliteitsproces in de schoolleiding en daarover terugkoppelt. Het is de taak van de inspectie om te beoordelen of een school voldoet aan de basiskwaliteit. Het gaat verder vooral om wat je zelf vindt, en het is fijn als de inspectie daar een keurmerk aan hangt en die extra kwalificaties geeft, zoals excellente school. Waar gaat die excellentie over? Het is vaak maar een splintertje van het totaal aan activiteiten. Ik vind het vooral waardevol dat de inspectie eerst met iedereen praat, dan een beeld creëert en dat intern deelt. De waarde zit dan nog meer in het gesprek dan in de uitkomst. We blijven door dit inspectiekader meer weg bij dingen puur op intuïtie doen en het helpt ook bij een professionaliseringsslag.”

 

 

En de medewerkers?
Nu de inspectie zich vooral richt op de bestuurslaag, wil dat niet zeggen dat een inspectiebezoek ongemerkt aan de medewerkers voorbijgaat. Er worden nog steeds lessen bezocht en gesprekken gevoerd. Op de Willem de Zwijger valt het Van Heukelum op dat het onder het personeel alleen leeft op de dag van het bezoek. “De gesprekken zijn prettiger van toon, minder scherp. Vroeger was een inspecteur op zoek naar wat er fout was. Nu is dat anders. Alles wat ze in de les zien, vragen ze mij te verantwoorden.” Intern is daarom geïnvesteerd in een gezamenlijke taal. “Je hebt hier hele kritische mensen, die soms te kritische voorbeelden geven, waardoor de beeldvorming niet klopt. Onze insteek is: we laten zien wie we zijn, maar we poetsen wel onze schoenen. Op die dag van het inspectiebezoek is het ook wijs om je lessen goed voor te bereiden.”
Op het Andreas College heeft het personeel zich gesteund gevoeld door de schoolleiding en het bestuur, toen deze de inspectie positief-kritisch tegemoet zijn getreden.

Er zit spanning in het proces door de dubbele rol van de inspectie

Op het Kalsbeek College was de opkomst hoog bij een voorlichtingsbijeenkomst over een niet-sexy onderwerp als het nieuwe inspectiekader. Van Dalen: “Het ‘gaan voor goed’ is een interessante in een bescheiden school als de Kalsbeek. Het maatwerk in onderwijs en begeleiding is al in orde en het predicaat ‘goed’ zou dat onderstrepen. Tegelijkertijd slaat de twijfel toe: moeten we dat wel doen? Past het wel bij ons? Zo maakt het inspectiekader onbedoeld dingen los, die raken aan de schoolcultuur.”

Van Dalen vervolgt: “Het bezoek bevestigde onze analyse van de onderwerpen waar we mee aan de slag willen. Denk aan aspecten die te maken hebben met de professionele cultuur. De inspectie kwam, naast de waarderingen voor de aangedragen thema’s en standaarden, ook met aandachtspunten en een bevestiging, na totaal vierenhalve dag gesproken te hebben met alle geledingen, van MR en ouders tot Raad van Toezicht en bestuur. Dit vergroot de waarde van de uitspraken. Dat is fijn.”

Administratie
De structuur van het nieuwe inspectiekader is simpel, maar de administratieve last is wat hoger dan voorheen. Op de drie scholen wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande stukken: (eigen) onderzoeken en rapporten. Van Dalen: “De kwaliteit van je stukken moet goed zijn, want de inspectie beoordeelt erg in detail. Dat levert stapels papieren en bewijsvoering op, wat wel veel werk is. Maar op die stukken krijg je al feedback. Dat is bij ons op een prettige manier gegaan, je merkt de open mind bij de inspectie.” Omdat het een bestuurlijk onderzoek is, moet de inspectie ook kijken naar de terugkoppeling tussen teamleider en bestuurder.

Kanttekeningen
Naast het wettelijke aspect, zoals door Stevens verwoord, hebben de bestuurders nog meer vragen over deze nieuwe aanpak. Bijvoorbeeld over het inspectietoezicht op het samenwerkingsverband in relatie tot het onderzoek op de individuele scholen. “Hoe worden die onderzoeksgegevens met elkaar in verband gebracht?” vraagt Van Dalen zich af. “Maatwerk in zorg is voor ons een speerpunt, maar als er in samenwerkingsverband op dat punt niet goed wordt samengewerkt, heeft dat dan invloed op onze beoordeling?”
Van Heukelum ziet in deze onderzoeksopzet nadelen voor bestuurders van koepels met meer dan 6000 leerlingen: “In een kleine school als de Willem de Zwijger zitten we heel dicht op het primaire proces. Voor een bestuurder op afstand kan deze aanpak meer confronterend zijn. De inspectie kan je bevragen op details waarvoor je als bestuurder op afstand echt te ver weg staat.”
Stevens vraagt zich af wat het betekent voor concurrerende scholen als bijvoorbeeld twee zich laten toetsen in het stimuleringskader waarna de score op internet wordt geplaatst en de derde niet. “Als school word je dan haast verplicht om mee te doen, zodat je net zo zichtbaar bent als de concurrent.”

Kwaliteitsverbetering is ook primaire een taak van de school zelf

Samen werken aan mooi onderwijs
De belangrijkste verandering in het inspectiekader is dat de inspectie vooral controleert of een school aan de basiskwaliteit voldoet. Als dat in orde is, treedt ze terug. De school bepaalt in het schoolplan wat goed onderwijs is en controleert zelf of de school hieraan voldoet. Kwaliteitsverbetering is ook primaire een taak van de school zelf. Stevens: “Uiteindelijk willen de scholen en de inspectie allemaal hetzelfde: mooi onderwijs bieden.”

Vernieuwd inspectiekader
Het vernieuwde toezicht is op 1 augustus 2017 ingegaan. In de nieuwe aanpak is het bestuur – meer dan voorheen – het eerste aanspreekpersoon voor de inspectie. Ook maakt een gesprek met de Raad van Toezicht en de GMR onderdeel uit van het inspectieonderzoek. In het vernieuwde toezicht wordt onderscheid gemaakt tussen basiskwaliteit en het stimuleringskader, de eigen aspecten van kwaliteit. Daarmee heeft de inspectie een waarborg- en een stimuleringsfunctie.

De basiskwaliteit is wettelijk vastgelegd in de deugdelijkheidseisen en gaat over de beoordeling van de onderwijskwaliteit, de kwaliteitszorg en het financieel beheer.

De inspectie kan op basis hiervan de school beoordelen als zeer zwak, zwak of voldoende. Daarnaast kan de school het predicaat ‘goed’ krijgen als het bestuur gewenste resultaten boekt zoals beschreven in het schoolplan.